Kerstmis in Siberië

 

Winter in Siberië. Het is de avond voor Kerstmis en het vriest dat het kraakt. De broodtrein, die eens per week bij het dorpje Strelka stopt, is in aantocht. Ver weg in de bossen heeft zijn stoomfluit al geklonken. De dorpsbewoners zijn, dik aangekleed, terstond in groepjes naar de splitsing van de rails gelopen, waar de machinist zo dadelijk de laatste treinwagon, die met brood voor het dorp, zal afkoppelen. Wanneer de trein verder rijdt, slaan de mannen met grote hamers het ijs van de wissel en duwen de wagon van het hoofdspoor op het zijspoor. De anderen, enkel mannen en vrouwen op leeftijd, gooien dan hun volle gewicht tegen de achterkant van de houten wagon om de vaart erin te houden. Anderen trekken uit alle macht aan de zijkanten. Er zijn er twee, die sneeuw van de rails wegscheppen en aan de kant gooien. Dat helpt. De dorpshonden springen en blaffen van blijdschap. Krakend en schuddend sukkelt het gevaarte over de rails naar de dorpsrand, waar het spoor eindigt.

Het brood is van Olga. Zij bestiert de enige winkel van Strelka. Daar verkoopt ze kaarsen, zonnebloemolie, zeep, bezems, drank, verjaardagskaarten én brood, dus. Zij moet erop toezien dat er elke week voor iedereen brood is. Zoals gewoonlijk is er één, altijd dezelfde, die probeert méér dan zijn deel te krijgen. Ook vandaag loopt het weer uit op een hoop gesoebat, maar Olga staat haar mannetje. Uiteindelijk zeurt de klant er een halfje wit bij, maar hij betaalt wél voor een heel. Ja, Olga is een harde!

Even na drieën ’s middags valt de duisternis al in. Er zit nóg meer sneeuw in de lucht. De mensen drijven de geiten en ganzen naar de stal en schuiven de balk op zijn plaats. Ze stampen de sneeuw van hun voeten en zetten zich bij de kachel voor een verdiend glaasje van dit of dat óf aan de keukentafel voor een bordje gekookte grutten met kool en worst. Buiten is het doodstil. Uit elke schoorsteen kringelt een sliertje rook. Het waait maar een beetje en de volle maan verdwijnt zo nu en dan achter dikke wolken. Fonkelende sterren spelen verstoppertje.

Dan klinkt door de bossen een doordringend gebrul. Wat is dát? Daar klinkt het weer! De honden buitelen blaffend en jankend over elkaar heen en rennen naar de bosrand. Als dollen gaan ze tekeer. De mensen komen haastig naar buiten, nog worstelend met de mouwen van hun dikke jassen en de bontmuts achterstevoren. Juist dan piept de maan tussen de wolken door en staan de oudjes van Strelka paf.

In het maanlicht tussen de kale berken door stapt een statige gestalte in een lange, lange bontjas, die aan leidsels een kameel met zich meevoert. Het gedrocht heeft een dikke gele baard van wel een meter lang en is zwaar beladen. De machtige, hooghartige kop wiegt en deint onder het lopen. De mensen zijn met stomheid geslagen en de honden janken zacht. Man en dier komen naderbij en nu zet de man zijn muts af. Olga herkent opeens haar enige zoon. Igor! Igor is terug uit de grote stad! Daar volgt een blij en opgewonden weerzien. De mannen schudden hem hartelijk de hand en de vrouwen verbergen hun hoofd diep in zijn bontjas. Ze kunnen er niet over uit en slaken kreten van blijdschap en verbazing! Dan klinkt er een bescheiden kuchje en kijken ze op. Tussen de bulten van de kameel zít nog wat. Igor beveelt de kameel te gaan liggen en tilt zomaar een meisje op de grond. ‘Mama’, zegt hij, ‘dit is Nelly. Ze komt uit Engeland.’ Nelly kijkt om zich heen en zegt: ‘Hello’.

De oude schoolmeester krijgt ineens een ongelooflijke haast. Hij haalt gauw de sleutel uit zijn huisje en maakt daarmee het leegstaande schoollokaaltje open. Hij stookt er de kachel flink op, want hij begrijpt dat er een feestje zit aan te komen. De mannen helpen Igor met het afladen van de bagage en die brengt de kameel naar de warme stal waar veel vers stro ligt. Igor wrijft hem daarmee lekker droog en iemand schudt een halve baal hooi los. De vrouwen ontfermen zich over Nelly. Dan kan het feest beginnen. Iedereen is er en ze willen alles weten. En dit is Igor’s verhaal:

Igor heeft werk gevonden op het politiebureau van Tomsk. Hij werd ingedeeld bij Bureau Vreemdelingenzaken en kreeg op een dag het dossier van Nelly in handen, die reisleidster was bij Cook International, het reisbureau dat net failliet was. Ze werd niet meer betaald en had geen geld om huiswaarts te keren. Natuurlijk verdacht men Nelly ervan dat ze eigenlijk spioneerde voor het Westen en Igor werd op de zaak gezet. Hij was streng in de verhoren en probeerde haar te betrappen op ongerijmdheden in haar verhaal. Daarbij keek hij haar onderzoekend recht in de ogen. Groene ogen. Mooi, wel. Maar met zijn onderzoek kwam hij niet verder. In een laatste poging droeg de chef hem op om Nelly mee te nemen in het nachtleven van Tomsk. Met een glaasje op zou ze minder op haar hoede zijn en zeker doorslaan over haar staatsgevaarlijke activiteiten in dienst van de vreemde mogendheid. Dat was zijn vaste overtuiging. Zo kwam het dat Igor en Nelly op de kermis van Tomsk belandden, waar ze hem een briefje van tien roebel aftroggelde en daarmee tien kaartjes in de tombola kocht. Die avond werden ze blij verrast, want Nelly bleek de hoofdprijs te hebben gewonnen. De baas van de tombola verdween achter de tent en kwam terug met …. een kameel. Nelly vond hem leuk en vanwege zijn blonde pruikebol en schele ogen noemde ze hem Boris.

Met de feestdagen voor de deur en het politiebureau gesloten, had Igor wel een probleem: hij mocht de verdachte geen seconde uit het oog verliezen en moest ook nog op de kameel passen. Hij besloot van de nood een deugd te maken. Hij kocht overal cadeautjes, zette Nelly op Boris, en begon de lange reis naar zijn geboortedorp (het voert te ver om al hun belevenissen hier te beschrijven).

Die avond, in het schoolgebouwtje van Strelka wordt er uit volle borst gezongen. De schoolmeester haalt zijn trekzak thuis op en speelt de sterren van de hemel. Twee oude vrouwtjes nemen Nelly tussen zich in en voeren haar stukjes brood met veenbessenjam. Nelly moet alles in het Engels zeggen en de vrouwen zeggen haar na en hebben de grootste pret: ‘bread, belly, bottle.’ Aan Nelly leren ze  ‘chleb’ en ‘nazdrovnje’. Er zijn cadeaus voor iedereen: vilten sloffen, kaviaar, thermo-ondergoed, een broodrooster, literblikken ananas, noem maar op!

Die nacht wordt uiteindelijk ook nog best belangrijk voor de betrekkingen tussen Oost en West, want Igor en Nelly belanden na het feest samen in Igors eigen jongenskamertje en daar verlaten ze , liggend in het smalle bed, hun beider achterhaalde, vooringenomen posities. Daar komen wel nieuwe voor in de plaats.  En zo wordt het in meerdere opzichten een bijzonder gedenkwaardige Kerstmis in Strelka. En de kameel… die vindt alles goed.

That’s all folks

Na exact tweeënvijftig afleveringen van Ruth stuurt wat, een héél jaar vol, eindigt het feestje. Ik weet even niks meer te vertellen.

 

396aabb481293b169eecc739f4a9cc25.jpg

 

Bedankt voor de leuke commentaren die je soms terugstuurde. Binnenkort is mijn kunstenaarswebsite klaar. Dan ben jíj de eerste die dat weet. Hartelijke groeten en tot hoors,

Ruth

 

Alles onder controle

Ik werd vroeg wakker met dorst. Ik ging uit bed en zette theewater op. Het was nog donker buiten, maar de maan was vol en de hemel bijna wolkenloos. Ook op straat was het nog adembenemend stil. Maar ik lette even niet op en het volgende dat ik zag was, dat er in het oosten iets begon te dagen. Wat voor mij het bewijs was dat de aarde weer rustig aan het draaien was geslagen. Hing de maan het ene moment nog als een kerstbal aan een takje van de boom verderop rechts, het volgende moment… zie! scheen hij door die boom alsof het warempel Sinterklaas was. Ik vond de westelijke hemel er wat groezelig uitzien. Er hing een grauwsluier. Een aandachtspuntje. Nee, dan de oostelijke hemel… daar verscheen inmiddels die goede oude rozevingerige dageraad om een gloednieuw eksternest in de kale plataan van een smaakvolle achtergrondkleur te voorzien. Dat nest is onlangs geheel gerestaureerd door een jong stel ijverige herrieschoppers en nu stak die zwarte takkenbal mooi af tegen dat al dat roze met strepen. Nu had ik al een lichtgevende bal én een zwarte bal op ooghoogte. Mijn adem op de koude ruit werd de derde cirkel. Ik dacht aan kunst: een nest, adem, de maan… drie grootheden in één groots, vluchtig verband. Aboriginals zouden daar wel iets van kunnen maken.

image

Inmiddels zijn we een uurtje verder en kan ik u meedelen dat de maan succesvol in de grauwe soep gezonken is en het leven op straat op gang is gekomen. Een aantal dagen geleden mocht ik al vaststellen dat de zon om 12.00 uur voor het eerst het randje van mijn balkonomheining aantipte. In de natuur is dat een zeker teken dat nu het schoonschrobben van de bloempotten een aanvang kan nemen. En dan… hup…naar het tuincentrum!

 

Sokken en kaas

Op een dag, misschien wel acht jaar geleden, kon ik niet weerstaan aan het verlangen naar HEMA-Nijntje-sokken. Om mijn stevige enkels zagen de konijntjes  er eerder uit als breedbekkikkers, maar vooruit maar…

Nu komt het. Op donderdag 16 februari jl. trok ik voor het eerst sinds járen in een opwelling mijn Nijntje-sokken weer eens aan. Ze waren inmiddels vaal, maar hoewel wat strak aan de boord, pasten ze nog en zaten er geen gaten in. Diezelfde avond hoorde ik op het journaal dat Dick Bruna was overleden. Tjee, dacht ik, nou dá’s toevallig! Dat was op donderdag. Op zaterdag besloot ik mijn stukje te schrijven over die mensen, die ik liever niet zou kennen, die zomaar beweren dat toeval niet bestaat. Hoezo niet bestaat?! Een stille razernij overvalt me onveranderlijk bij het horen van die woorden en ik voel me gevangen in hun sleepnet van tevreden zogenaamde alwetendheid.

Foto op 06-03-17 om 07.34.jpg

Nu wil het toeval, dat ik diezelfde avond in gesprek raakte met een mevrouw die mij om een of andere reden vertelde, dat toeval niet bestaat. Ik zeg: Da’s ook toevallig! Daar ben ik juist een stukje over aan het schrijven. Nee, zegt ze, dat is dus niet toevallig. ’t Is, dat ze echt alleraardigst was en dat ons gesprekje tóch even interessant werd, maar ik leg het hier nog één keer uit:

Ik heb nooit genoeg van Nijntje-boekjes gehouden en er bestaat geen kosmisch verband tussen Dick Bruna en mij. Dick is níet overleden doordat ik die ochtend mijn Nijntje-sokken aantrok. De believers voelen vrees voor het ongerijmde en klampen zich vast aan een illusie. Ontkennen dat er gaten in Emmentaler zitten komt mijns inziens op hetzelfde neer. Wat gat is, is geen kaas en nee… dat is niet beangstigend. Gaten horen. Toeval hoort. Toeval biedt ons een kijkje in de eeuwigheid.

 

Een snoepje van een bruggetje

In de negentiende eeuw ontstond in Breda heel wat industrie. Industrie was handig als er een rivier in de buurt was en liefst ook een treinstation. Wij hadden de Mark en kregen een zijspoorlijntje vanaf Roosendaal. Bij ons maakten ze toentertijd o.a. lucifers, machines en suiker en mijnheer Hirdes had een passementenfabriek. Die lag tussen de Marksingel en de 2e Markstraat in Breda. In de garnizoensstad Breda met drie kazernes en de KMA was altijd volop vraag naar insignes, mooi koord, tressen en borduursels. Bovendien kreeg Breda er in de negentiende eeuw veel kerken bij, met priesters en misdienaartjes die allemaal kant aan hun superplie moesten.

Van zijn geld koopt mijnheer Hirdes aan de overkant van het water drie weilanden. Dan laat hij in 1905 een bruggetje ontwerpen tussen de fabriek en dat weiland. Het wordt een mooi bruggetje en nog modern ook. Twee landhoofden van beton, sierlijk opgevuld met bakstenen. Twee gebogen betonnen balken daaroverheen die meteen ook brugleuning zijn. Die waaieren aan weerszijden van het water uiteen zodat karren moeiteloos de bocht kunnen nemen en het ziet er mooier uit. Mijnheer Hirdes, kun je wel stellen, heeft echt gevoel voor schoonheid. De binnenzijde van de brugleuningen zijn gebosseerd , d.w.z. een beetje gehakt zodat ze op natuursteen lijken en de buitenzijden hebben spaarvelden. Vier elegante lantaarnpalen van de firma Lenzi uit Parijs verlichten de brug aan weerszijden. Het wegdek is van baksteen. De hulstbomen aan weerszijden zijn er in 1906 meteen bij geplant! Het is fijn dit alles te weten, anders zou men achteloos kunnen zijn over zo’n klein bruggetje alleen geschikt voor wandelaars en fietsers.

IMG_0663.JPG

En de moeder van mijn goede vriendin Pleuni werkte op een passementenatelier in de Veemarktstraat en haar vader kwam daar langs lopen en toen kregen ze verkering. En later Pleuni. En dus kwam alles goed.

In India

Het is een katoenen doek van 43 x 55 cm en ik heb hem geërfd. Hij is met een lineaal verdeeld in 49 vlakjes, zeven horizontaal, zeven verticaal. In elk vakje staat een ingekleurde pentekening. In de vakjes van de bovenste rij staan steeds dezelfde twee figuren die steeds hetzelfde zeggen, nl. ‘Zig vizot yum van inzo’, maar ze moeten wel eens wat netter leren schrijven, want dat gekriebel kan ik eigenlijk helemaal niet lezen en mijn Sanskriet is niet zo best.

De rechtse met de ingewikkelde hoofdtooi is de deftige die in de aller-rechtste tekening opeens griezelig wordt. De kleinere met de bloemen in het haar is de held van het verhaal. In de middelste vijf rijen duikt hij op in allerlei vreemde (en mogelijk gevaarlijke) situaties, maar die lopen gelukkig steeds goed af.

IMG_0648.JPG

 In de zeven vakjes van de onderste rij staan nl. steeds twee dieren die, zo te zien, gezellige evaluaties houden van wat ze zojuist gehoord hebben. (Zoals we weten schrijft men in India van boven naar beneden). Oh, onze held is zó’n dappere man! En niet alleen dapper, maar ook kundig en slim! Hij is leeuwen en vuurspuwende beesten de baas. Op zee redt hij een vis van de verdrinkingsdood en blijft hij uit de scharen van een krab. Hij ziet af en toe dingen die er niet zijn, zoals een onthoofde man en de aanzet tot een geestverschijning. Maar goed… doordat hij de taal der vogels verstaat, weet hij gelukkig precies op tijd een gevaarlijke bok te doden. Oh, het is zó spannend!

Deze doek hangt in India in de kinderkamers. Elke avond vertelt papa een van de verhaaltjes van het doek. En als het dan uit is zegt hij: ‘Argos zopi onq … af’. Dat betekent: ‘Zo, dat was een mooi verhaal. En nu maar fijn slapen.’

Sei Shōnagon

Sei was een hofdame van de Japanse keizerin Sadako, totdat ze zich terugtrok uit de hofkringen in het jaar 1000 ná Chr. Sei hield een dagboek bij dat ze in een laatje van haar houten hoofdsteun bewaarde, vandaar de titel Hoofdkussenboek. In dat beroemde dagboek noteerde ze haar 164 opsommingen. Ik ga nu proberen opsommingen te maken in haar stijl.

foto-op-11-02-17-om-08-17-3

Dingen die een aangename indruk maken.                                                Wanneer op een koude, grijze zondagmiddag de zon eindelijk door de wolken begint te schijnen waardoor alles binnenskamers zacht verlicht wordt.                                                                                                                          Wanneer men met eenvoudige middelen een pan soep voor zeker drie dagen heeft gemaakt, waarvan bovendien een gedeelte ingevroren kan worden voor de week daarop.

Ergernissen.                                                                                                                    Een vrouw met een stem doordringend als een snijbrander en een hinnikende lach vertelt over een opmerkelijk voorval. Men kan goed horen dat zij eigenlijk rekent op bijval van álle aanwezigen i.p.v. alleen die van haar gesprekspartner.                                                                                            Wanneer iemand je erop wijst dat jíj altijd degene bent die een ander verbetert wanneer die zegt: Ik irriteer me daaraan.

Gênante kwesties.                                                                                                 Wanneer de lichten in de bioscoop na een droevige film al aangaan voordat men de kans heeft gehad de neus te snuiten en de tranen te drogen. Men is dan bang om elkaar aan te kijken.

Vervelende dingen.                                                                                            Wanneer een gerecht waar men veel van verwachtte, bitter blijkt te smaken.                                                    De Dreft-reclame op tv.

Dingen die een schoon gevoel geven.                                                              Wanneer men ’s avonds schoon in een opgemaakt bed kan stappen met lakens en slopen die pas gewassen en gestreken zijn.

Prettige dingen.                                                                                                 Wanneer de maan zo dun als een babynageltje aan de hemel verschijnt.  Wanneer iemand die je ooit kende en hoogachtte plotseling een hele pagina mag schrijven in een van de beste kranten van het land.                                                     Lijstjes maken zoals Sei… soms grappig, vaak dwaas, maar leuk opgeschreven.

 

 

 

Malligheid

Er zijn van die stenen, meestal ronde, kalkachtige, waarin iets moois te vinden is als je ze splijt. Soms is dat een holte bekleed met kristallen en soms de afdruk van het skelet van een diertje, dat miljoenen jaren geleden op een dag overleed. Onlangs is het me gelukt, onder deskundige begeleiding, om zelf zo’n steen met/zonder inhoud (het is maar hoe je het bekijkt) te fabriceren. Mijn knappe vader placht te zeggen: Een gat is iets dat er niet is, dat er wel zou moeten zijn. 

20170205_154909.jpg

Ik maak van klei een vrouw in een ruitjesjurk met een kind op haar rug. De diepe holletjes moeten eruit, bijvoorbeeld die tussen de knietjes van het kind en de ellebogen van de vrouw en de ruimte tussen haar voeten. Het beeldje wordt nu meer kerstbalachtig. Ik bouw een kleimuurtje om de breedste plaatsen van het silhouet en vermeng gips met water. Door deze scheikundige reactie ontstaat een yoghurt-achtig lauwe pap die behoedzaam over het liggende figuurtje met de klei-stralenkrans wordt heen gegoten. Beetje bij beetje. Met de zachtst mogelijke bewegingen strijk ik steeds de harder wordende massa in de vorm van een dikke cocon. De halve cocon versteent. Nu leg ik hem op zijn rug, gesteund door propjes klei en een plankje tegen de voeten aan. Hetzelfde procédé nogmaals, met nieuwe gips, maar nu zonder het kleimuurtje. Nu hebben we een dikke witte kei waarin alleen de gele voetzolen van de opgesloten vrouw nog zichtbaar zijn. Maar érgens zit die afscheiding tussen de voor- en de achterkant. Die zoeken we op om met een beiteltje, héél zachtjes, de helften los van elkaar te kloppen.

Het wonder is geschied: de helften liggen voor me. Nu kan ik beeldjes in serie maken. Het voelt heel goed: alsof ik de Steen der Wijzen heb gevonden.

 

 

Cultuurnacht Breda

Met een roze toegangsarmbandje en een rood oplichtend hartje frontaal op de winterjas begaf ik me op pad in donker cultureel Breda waar die avond zogezegd ‘het avontuur lonkte’. Er waren veel mensen met rode hartjes onderweg, en ik spoedde mij naar de leeszaal voor een programmaboekje en een plattegrond. Daar kreeg ik gratis chocolademelk. Ik dacht nog dat het onderscheidend was om al lopend iets te kunnen drinken. Maar ik morste, kieperde het lauwe zuivelproduct toen maar naar binnen, borg het plattegrondje op in mijn jaszak en begon gewoon te lopen.

Foto op 30-01-17 om 16.44.jpg

Zo kwam ik bij een caravan, Pier 15 genaamd, met gekleurd tl-licht en vier campingstoeltjes ervoor. Wat gek. Ik was stipt op tijd, maar toch de enige bezoeker en ik zei: ‘Daar ben ik dan’ en ‘om hoe laat begint de show?’  Maar de vrouw binnen vroeg of ik dan iets te vertellen had. Ik zei ‘Nee’ en dat ik voor de voorstelling kwam. ‘Nou’, zei de vrouw: ‘we gaan direct een live-stream doen.’ Ik wist niet wat dat was, maar ik begon te vermoeden dat cultuur die avond iets was, wat je met elkaar doet. Daar was ik beslist niet voor in de stemming en gauw liep ik de donkere nacht weer in. Op de Grote Markt stond een lange rij voor een enórme roze opblaasdrol. Daar kon je in, en dan maakte er iemand een leuke foto ofzo. De sfeer was er zo uitgelaten dat ik er schichtig van werd. Doorgelopen. Bij de boekhandel binnen las Hanneke Adelaar een gedicht van Jan Arends voor:

 

Niet
uit je neus peuteren.

Praten
met twee woorden.

Niet
doodslaan.

Geen
winden laten.

Niet
het brood nemen
waar het ligt.

Bidden
voor het eten.

En vooral
geen winden laten.

Goed zijn.

Dat is
de bijbel.

Dat is
cultuur

 

Adelaar leest Arends…  leuk!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geschiedenisles II

Voor wie niet van geschiedenis houdt… denk maar even dat hij je opa was, dan lukt het wel. Willem III was een prins van Oranje die woonde in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Jaja, we waren een republiek, zo rond 1660. Net als Venetië en Genua toentertijd. Willem leed aan astma en hij had een bochel, maar van die bochel zie je niks als je kijkt naar zijn standbeeld in Breda. Hij hield van tuinieren, kon goed paardrijden en had een prima denkhoofd met lange donkere krullen. Hij was wilskrachtig.

Foto op 23-01-17 om 11.52.jpg

Lodewijk XIV, bijgenaamd de Zonnekoning, was een Fransman die overal in Europa de baas wilde spelen. Die wilde ons ook hebben, maar ja… dat kon natuurlijk niet, want die Fransen waren katholiek en wij protestant. Die Zonnekoning was dol op onze zoute haring, maar eiste dat wij er hún zout voor zouden gebruiken. Maar wij hadden natuurlijk Bonaire waar onze slaven zout wonnen en die moesten natuurlijk wel geld voor ons verdienen. Onze Willem wond er geen doekjes om. Samen met de stad Amsterdam en andere bondgenoten uit Europa heeft hij er in 1672, een behoorlijk ellendig, rampzalig jaar, voor gezorgd dat ze uit Holland verdreven werden en niet meer terug konden komen. Boven de Moerdijk liet hij alle landerijen onder water zetten, toen ze het nog eens wilden proberen. ‘Een meer dat op geen enkele kaart staat’, noemden de Fransen onze Hollandse Waterlinie. Opzouten, Lodewijk!

Willem was een prins en dus huwde hij een prinses. Zij was weliswaar zijn nichtje, maar ook de dochter van de katholieke Engelse koning, die hij daarom maar verjoeg. Zijn eigen schoonpapa! De Engelsen begonnen toen juist met een Parlement en daar kon Willem III goed mee overweg. Ze vroegen daarom of hij hun koning wilde worden en hij zei ‘Yes’. Zijn bijnaam werd King Billy.